Jacob Zeijlemaker (1890-1970)

Indirect heb ik het al eens gehad over Jb. Zeijlemaker Jnz. Ik liep tegen zijn boek Hiram-Mythe en Meestergraad (1967) waarin hij regelmatig verwijst naar The Genesis Of Freemasonry (1947) van D. Knoop en G. Jones. Dit was dan de aanleiding om dat boek eens te lezen en dat heeft weer aanleiding gegeven tot een korte tekst over het “Mason Word“.

Zo onverwacht ik tegen het Hiram boek aan liep, zo onverwacht liep ik tegen een ander boek van Zeijlemaker: De Vrijmetselarij Ontleed (1972).

Zeijlemaker is in mijn optiek een interessant schrijver voor de esoterisch geïnteresseerde Vrijmetselaar. Niet omdat hij een esoterische interpretatie geeft van de Maçonnieke symboliek, zijn aanpak is puur historisch, maar wel omdat hij esoterie ziet als rode draad in de ontwikkeling van de Vrijmetselarij. In zijn historische aanpak gaat hij minutieus te werk, onderzoekt argumenten en theorieën en wat vooral interessant is: hij neemt de lezer mee in zijn afwegingen hoe hij tot zijn conclusies komt.

Zeijlemaker was geen veelschrijver. Tot nu toe ken ik de twee genoemde ‘grotere’ werken (200 / 300 pagina’s) en wat kleinere. Zie het bibiografietje onderaan. In De Vrijmetselaar / Thoth zijn 13 teksten van hem te vinden. Er zijn veel verwijzingen naar zijn werk, maar de laatste tijd lijkt de herinnering aan hem wat te vervagen.

Ik had verwacht dat over een schrijver die toch wel in een adem wordt genoemd met J.G. Slothouwer (1879-1951) en P.H. Pott (1918-1989) wel een biografie zou staan in Thoth, maar ik krijg die niet gevonden. Wat nog enigszins in de buurt is Thoth 2002/3 waarin Evert Kwaadgras schrijft over “apologeten van de Vrijmetselarij”. In dit artikel vond ik waar “Jb.” voor staat (Jnz. lijkt een verwijzing naar zijn vader die volgens mij “Jan” heette), zijn geboorte- en sterfjaar en de enige foto die ik van hem gevonden heb. Het artikel vermeldt niet wanneer Zeijlemaker is ingewijd. De oudste tekst in Thoth is uit 1950. Het laatste is gepubliceerd in zijn sterfjaar.

Over zijn leven kan ik niet veel vinden. Ook in zijn Maçonnieke werken noemt Zeijlemaker zich “Prof. Mr.” Jurist was hij in elk geval, want hij heeft de krant wel eens gehaald als curator (in 1924 al). Ik vermoed dat zijn academische scholing ook heeft bijgedragen aan de vrij academische aanpak van zijn werk.

Het boek van Knoop en Jones waarnaar Zeijlemaker zo veel verwijst, is in 1988 vertaald door Brouwer en Buiter door Fama Fraternitatis uitgegeven onder de titel De wordingsgeschiedenis van de Vrijmetselarij. Zowel dit boek als De Vrijmetselarij ontleed zijn mooi uitgegeven boeken met een harde kaft in blauw linnen en een goudkleurige opdruk. Als je geïnteresseerd bent in de vroege geschiedenis van de Vrijmetselarij, heb je aan deze twee boeken (bijna?) genoeg. De auteurs hebben enorm bronnenonderzoek gedaan, geven duidelijk hun overwegingen komen qua schrijfstijl aardig in elkaar richting. Zeijlemaker zal sterk beïnvloed zijn door het boek van Knoop en Jones en het feit dat 18 jaar na zijn overlijden, een Nederlandse vertaling beschikbaar wordt gesteld door ‘zijn eigen’ uitgeverij, moet bijna wel betekenen dat de invloed van Zeijlemaker nog een paar decennia heeft doorgewerkt. Het werk van Knoop en Jones is voor slechts € 10,- nog altijd beschikbaar via de stichting Ritus en Tempelbouw. Het werk van Zeijlemaker helaas niet. Wel zijn beide boeken makkelijk tweedehands te vinden. Het kan zijn dat je naar het Hiram boek wat langer moet zoeken.

De twee ‘grote’ werken van Zeijlemaker komen aardig overheen qua inhoud. Hij behandelt de oude constituties; gaat uitgebreid in de vorming van de eerste Grootloge en de concurrerende grootloges en onderzoekt dus waar bepaalde elementen vandaan zouden kunnen komen. Het zal niet nodig zijn om te zeggen dat het Hiram boek extra aandacht legt op de derde graad.

Als je toegang hebt tot het archief van Thoth moet je 1967/2 eens opzoeken waarin een tekst van Zeijlemaker staat met als titel: “Vrijmetselarij. Jan Amos Comenius en Joh. Val. Andreae”. Zeijlemaker neemt zoveel tijd om zijn theorieën over de ontstaansgeschiedenis van de Vrijmetselarij toe te lichten, dat Comenius en Andreae er amper aan te pas komen. Het artikel is een goede manier om kennis te nemen van zijn ideeën.

Zeijlemaker is geen slaafs volger van Knoop en Jones. Ook hun bewijzen en afwegingen worden door Zeijlemaker opnieuw gewogen en daarna goed bevonden of ter zijde geschoven. Zoals ik mijn eerdere artikel over “Het Mason Word” al schreef, zien Knoop en Jones de oorsprong van de Maçonnieke esoterie vooral in Schotland waar de overdracht van het woord gepaard ging met ‘andere kennis’. Dit gebruik zou in Engeland zijn overgenomen. Zeijlemaker is het met die presentatie van zaken niet helemaal eens.

Het gaat te ver om in deze korte tekst heel veel te zeggen over de informatie die Zeijlemaker heeft verzameld. Toch wil ik kort iets zeggen om je (hopelijk) te verleiden de boeken zelf ter hand te nemen.

Zeijlemaker geeft, vooral in het Hiram boek, veel overdenkingen over het Woord. In Schotland zou er een herkenningswoord zijn geweest om de loges binnen te komen, maar dit herkenningswoord heeft ook eigenschappen van wat Zeijlemaker een “openbarend woord” of “scheppingswoord” noemt. In oude tijden bestond het verhaal van de drie zonen van Noach die, toen hun vader overleed en zij de geheimen nog niet kenden, deze gingen zoeken bij het lichaam van hun vader op een manier die erg lijkt op onze derde graad. Als ze het eigenlijke geheim niet zouden vinden, zou God hen toch op zijn minst wel een vervangend geheim laten weten. Dit soort aanwijzingen geven Zeijlemaker het idee dat een mysterieus geheim (woord) ook in Engeland bekend was en dat het woord meer is dan alleen een herkenningsmiddel. Het is in deze hoek dat hij een esoterische rode draad zoekt in de ontwikkeling van de “operatieve” naar de “speculatieve” Vrijmetselarij.

Ook onderzoekt hij ideeën als zouden Rozekruisers de Vrijmetselarij hebben geïnfiltreerd of in elk geval beïnvloed. Zelfs het verhaal over Elias Ashmole weet hij nog zo’n draai te geven dat hij kan spreken over parallelle ontwikkelingen, maar geen directe invloed over en weer.

Zoals ik al zei, een historisch onderzoek naar Maçonnieke esoterie. Een esoterie die de auteur niet ontkent, maar waar hij inhoudelijk ook niet echt op ingaat. Hij geeft wel aan waar we moeten kijken. De Royal Society en vooral Desagulier en religieuze ontwikkelingen rond 1700.

Boeiend, ook ruim een halve eeuw na de publicatie. Onderstaand de titels die Zeijlemaker heeft geschreven (voor zover ik ze gevonden heb). Vooral de twee dikgedrukte zijn denk ik interessant voor bezoekers van deze website.

  • Regelmatigheid en Erkenning van Maconnieke Grootmachten en Loges (1962 Stichting Fama Fraternitatis)
  • De waarde van de mens. Beschouwingen van vrijmetselaren (1963 Stichting Fama Fraternitatis)
  • Vrijmetselarij, symboliek en ritus (1967 Stichting Fama Fraternitatis)
  • Hiram-Mythe en meestergraad (1967 Stichting Fama Fraternitatis, herdrukt in 1972)
  • Vrijmetselarij een intellectueel spel of meer? (1968 Stichting Fama Fraternitatis, samen met Groenman, Kistemaker en Bär)
  • De Vrijmetselarij ontleed (1972 Stichting Fama Fraternitatis

Add a Comment

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.